Home
Jeugdherinneringen

busDe allereerste herinnering uit mijn jeugd dateert uit 1934. Ik ben zes jaar en ga met mijn moeder naar opa en opoe. “Opoe, wat is dat voor een diersoort”, vroeg iemand uit mijn omgeving.

We gingen met een grote bus met “stokken” op het dak die langs elektriciteitsdraden liepen naar een buitenwijk in oud Groningen (nu totaal afgebroken). Later hoorde ik dat dit een Trolleybus heette.

Ik zie nog het kleine kamertje met een grote kast met openstaande deuren waarin ik beddengoed zag. Dat was de bedstee. “Daarin slapen opa en opoe”, vertelde mijn moeder. Ik vond dat gek, mensen sliepen toch in een bed en niet in een kast met deuren.

In een hoekje voor het raam in een houten armstoel zat mijn opa. Door de ogen van egehooren zesjarige zag ik een heel oude man; de werkelijkheid was een goede zeventiger, die kort (?) na mijn bezoek is overleden. N.B.: van enig causaal verband tussen mijn bezoek en zijn overlijden is nooit iets gebleken. Ik heb hem dan ook nooit goed gekend. Dit in tegenstelling tot opoe die in augustus 1945 op 83- jarige leeftijd overleed. Maar goed, opa zat in zijn hoekje en ik ging naar hem toe om hem te begroeten. Nu gebeurde er in mijn ogen iets merkwaardigs: in plaats van een directe reactie, boog opa zich naar de grond en pakte een soort toeter, zette die aan zijn oor en gebaarde mij dat ik in de toeter moest praten. “Opa is een beetje doof (nou ja erg doof) en daarom moet je in de toeter praten”. Mijn eerste kennismaking met een gehoorapparaat.

Toen gebeurde er nog iets wat op mijn kinderzieltje een enorme indruk maakte. Opa, die aan een stuk had zitten kauwen, pakte van de vensterbank een soort bloemenvaas en spuwde er vieze bruine sap in. Ik babbelde nog enige tijd met mijn opa via de houten toeter tot het moment dat opa weer de bloemenvaas pakte en tot mijn ontzetting er een grote stroom bruin vocht uit zijn mond in de vaas spoot. Daarna was ik snel uitgepraat.

Weer op weg naar huis vertelde ik mijn moeder dat opa zo vies deed en dat hij steeds in een vaas spuwde. “Dat is geen bloemenvaas maar een kwispedoor” sprak mijn moeder belerend alsof zij uit de sprookjes van Andersen voorlas. ”Kwis-pe-door, Kwis-pe-door,” herhaalde ik de hele weg naar huis enige malen.  Sinds dat moment is het woord “kwispedoor” nooit meer uit mijn brein verdwenen.

Twee jaar later kwamen er nog twee woorden voor eeuwig bij maar dit was Gronings dialect: “Lutje potje” (kleine jongen) heeft weer eens met zijn klompen in de braggel (vette Groningse klei) gelopen. Hoeveel jongetjes van acht jaar zouden die woorden tot hun woordenschat kunnen rekenen.

 >> Terug naar Verhalen.




 klik op pagina


     Uitverkocht.