Verhalen

Mijn Dorp                       DOOR RICHTE LOMMERT

Het is het jaar 1935. In dat jaar gingen mijn ouders van de stad Groningen verhuizen naar Winsum, een klein dorp 16 km ten noorden van Groningen. De ANWB zou dit dorp in 2020 uitroepen tot het mooiste dorp van Nederland, maar dat was in 1935 beslist nog niet het geval. Ik kwam in een huis zonder wateraansluiting en ook geen gas. Water kwam uit een pomp in de grote woonkeuken en uit een put in de tuin. Op de put lag een plank en ernaast een emmer met een touw. Als je water wilde dan schoof je de plank opzij en gooide de emmer met touw in de diepte, schudde een paar keer en trok de emmer met water op.

Koken deed moeder op een grote kachel met vier kookplekken bestaande uit een deksel met ringen. Hoe groter de pannen, hoe meer ringen er af moesten. De kachel werd gestookt met turf, dat wekelijks werd aangevoerd door de turfschipper uit de veenkoloniën.

Een modern toilet was er natuurlijk ook niet. In de schuur was een kast met een houten bank en daarin zat een rond gat met een deksel. Er onder stond een ton en op de bank lagen “Het Nieuwsblad van het Noorden” in stukjes van 6x12 cm. aan een touwtje geregen. In de deur zat een uitgezaagd hartje, dat aangaf dat hier de plaats was voor de grote boodschap. Voor de kleine boodschap was er een muurtje, met een afmeting van 100 x 125 cm.

Het huiselijk leven speelde zich af in de grote woonkeuken. Daar was niet alleen de waterpomp met gootsteen, de kachel, de tafel met stoel met een lamp erboven, maar ook een bedstee met deuren, waarin ik sliep. Voor het slapen zag ik door de kier in de beide deuren moeder klompsokken breien voor mijn klompen. Hier was ze continu mee bezig.

Zaterdagavond werd ik gewassen in de tobbe. Dit was een zinken teil waarin mijn moeder eerst een ketel heet water goot en later koud water toevoegde voor de juiste temperatuur. Na de wasbeurt moest ik gaan staan en dan goot mijn moeder een pannetje ijskoud water over mijn rug. Tjonge, tjonge dat was hijgen. Het was goed voor mijn longen had de dokter gezegd…

Na het ontwaken klom ik ’s morgens uit de bedstee, liep naar de gootsteen, zwengelde aan de waterpomp en waste mijzelf met een stuk sunlight zeep. Mijn ontbijt bestond uit een bord HO pap en een kop thee. Vanaf mijn plaats keek ik op de spoorlijn van Roodeschool naar Groningen. Wanneer ik de rookwolken van de stoomtrein zag, was het tijd om naar school te gaan. Pet op, wambuis en klompen aan en dan naar het dorpsschooltje.

In mijn lokaal zaten bij meester Mellema 2 klassen. Ik zat in de tweede klas en terwijl de tweede klas staartdelingen moest maken, leerde meester Mellema op onnavolgbare wijze de beginselen van het rekenen aan de eerste klas.

Hij deed dit met behulp van een mand appels. Hij gaf Klaas een appel en vroeg de klas: ”Hoeveel appels heeft Klaas?“ Eén, meester”, riep de klas. Daarna gaf hij één appel aan Maaike en stelde zelfde vraag en kreeg hetzelfde antwoord. Nu kwam het: “Maaike geef je appel aan Klaas”. Vraag aan de klas: “Hoeveel appels heeft Maaike nu?”Nul”. “En Klaas?”. “Twee”. En nu moest de klas tien keer zeggen: “één en één is twee en één min één is nul”. Klaas had nu twee appels in zijn hand en de meester gaf Geert een appel en zei: “geef de appel aan Klaas; hoeveel appels heeft Klaas nu?” De klas dacht even na en zei: “drie meester”. De meester zei: “dat weten we nu dus: twee plus een is drie”. De klas moest dit tien keer zeggen en zo ging het verder met de mand met appels.

Gezamenlijk hadden de klassen 1 en 2 zangles en we leerden alle liedjes uit de bundel “Kun je zingen zing dan mee”. Van de meeste liedjes heb ik de eerste twee regels onthouden zoals: Piet Hein, In naam van oranje doe open de poort, Bergen op Zoom houdt u vroom, stut de Spaanse schare, Wie Neerlands bloed door de aderen vloeit van vreemde smetten vrij. En dan natuurlijk ook van de herder op de heide en het bootje op het spiegelend meer.

Na schooltijd trok ik met mijn vriendjes de weilanden in. Gewapend met een stok, waaraan mijn vader een oud washandje had gespijkerd, struinden wij de slootkanten af om kikkervisjes te vangen. Die deden we dan in een oud koekblik om vervolgens de volgende dag te ontdekken dat ze allemaal dood waren zodat we weer opnieuw konden beginnen. Ook visten we planken uit het grote kanaal om er hutten van te bouwen. Wanneer ik dan weer eens onder de modder thuiskwam, sprak mijn moeder hoofdschuddend de historische woorden in plat Gronings (ik ben ze nooit vergeten) ”Mien lutje potje, hest weer in de braggel zeten?”

Ik sprak in die tijd zo plat dat mijn neefjes en nichtjes, die uit Groningen op bezoek kwamen, moeite hadden om mij te verstaan.

Na een jaar verhuisden we naar Hilversum. We kwamen in een twee onder één kapwoning met een echte WC en een echte keuken. De bedstee werd vervangen door een echte slaapkamer met een wastafel met stromend water. In plaats van naar het dorpsschooltje ging ik nu naar een enorm wit gebouw met een rieten dak. Op een groot speelplein voor de school was het enorm druk.

De eerste weken had ik het erg moeilijk. Mijn Gronings dialect en mijn vreemde voornaam, (Richte, wie heet er nu Richte?) zorgden voor problemen, maar gelukkig kreeg ik snel mijn eerste schoolvriendinnetje (Greetje van Gangelen, ik weet de naam nog!) waarmee werd voorkomen dat ik een plaspaal ben geworden maar volledig werd geaccepteerd.



 klik op pagina


     Uitverkocht.